In de 19e eeuw nam de belangstelling toe voor de mogelijkheden die Zandvoort als badplaats te bieden had. Zo werden bij Koninklijk Besluit van 29 maart 1826 nr. 99 Commissarissen over de Straatweg naar Zandvoort en het Badhuis te Zandvoort benoemd om een etablissement voor zeebaden op te richten, een daarmee in verband staande straatweg naar Zandvoort aan te leggen en een geldlening op te nemen, groot 150.000 gulden, ter bestrijding van de kosten. De aan te leggen straatweg naar Zandvoort liep 'tusschen den grooten weg der 1e Klasse no. 4 bij de Hofstede Berkenrode en het dorp Zandvoort, ter breedte van 10 ellen voor zooveel de plaatselijke gesteldheid zulks veroorlooft (...), met een bestrating van 4 el 10 Duim.' Besloten werd om twee tollen te plaatsen, de een in de nabijheid van Zandvoort en de andere op een afstand van 1400 ellen vanaf de Rijksstraatweg. Het badhuis aan de Hogeweg werd op 1 mei voor notarissen J.C.G. Pollenes en J.P. Smits te Amsterdam uit de hand verkocht voor 90.000 gulden aan J.J.F.F. Müller, makelaar te Amsterdam, en moest opgeleverd worden op 1 november 1897. De administratie van de straatweg, vanaf de Rijksstraatweg tot de R.-K. Kerk te Zandvoort, bleef aanvankelijk in handen van de commissarissen. In de vergadering van de commissarissen van 14 februari 1918 werd voorgesteld tot liquidatie van de negotie. Het doel 'verheffing van het arme visschersdorp tot een badplaats' is dan kennelijk bereikt. Daarnaast werd in diezelfde vergadering het voorstel aangenomen tot overdracht van de straatweg aan Heemstede, Bloemendaal en Zandvoort elk het weggedeelte, hetwelk zich binnen die gemeente uitstrekt.