Sinds 1840 was het beheer van het Zandpad Amsterdam-Weesp namens de gemeentebesturen van Amsterdam en Weesp in handen van een college van commissarissen. Het college bestond uit zeven leden, waarvan vier leden werden benoemd door Burgemeester en Wethouders van Amsterdam en drie leden door de gemeenteraad van Weesp. Het Zandpad Amsterdam-Weesp liep sinds 1839 van Diemerbrug tot 's-Graveland. Lange tijd schijnt de opbrengst van de tollen, aan het Bijlmerhek (land- en watertol), aan de Uitermeersche Schans (landtol) en in de 's-Gravelandsche Vaart (watertol), voldoende te zijn geweest om daaruit het onderhoud van de weg en de vaart te kunnen bekostigen. De weg had in hoofdzaak betekenis voor het lokaal verkeer. Maar naarmate het verkeer toenam en ook de aard van het verkeer - denk aan motorrijtuigen - veranderde, ging het onderhoud van de weg steeds meer geld kosten. Rond 1895 wilden beide steden al het gemeenschappelijk beheer beƫindigen, omdat de bedragen die uit de gemeentekassen moesten worden bijgepast ieder jaar groter werden. Bovendien had de weg volgens de gemeentebesturen zuiver het karakter van een provinciale weg gekregen. Het zou nog tot de jaren 1920 duren, voordat het ruim 19 km lange Zandpad Amsterdam-Weesp werd opgenomen in het net van primaire (provinciale) wegen. Als gevolg daarvan werd het beheer en onderhoud met ingang van 1 januari 1929 door de provincie Noord-Holland overgenomen. De geschiedenis van het Zandpad Amsterdam-Weesp gaat terug tot 1637. Gegevens over de periode 1637 tot 1840 zijn te vinden in het archief van de Commissarissen van de Zandpaden tussen Amsterdam, Muiden, Naarden en Weesp, dat in het Stadsarchief Amsterdam wordt bewaard.