Op grond van artikel 66, lid 1 van de Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren is het sinds 1 april 1997 in Nederland verboden om zonder vergunning biotechnologische handelingen bij dieren uit te voeren. De vergunning kan worden aangevraagd bij de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV). Een vergunning wordt door hem verleend indien: a. de handelingen geen onaanvaardbare gevolgen hebben voor de gezondheid en het welzijn van dieren en b. tegen de handelingen geen ethische bezwaren bestaan. Om te bepalen of aan deze voorwaarden is voldaan vraagt de Minister, voordat hij over een aanvraag beslist, advies aan de Commissie biotechnologie bij dieren (CBD). De vergunningsplicht en de CBD zijn op 1 april 1997 wettelijk ingesteld doordat het Besluit biotechnologie bij dieren toen in werking trad.
Sinds 1 januari van 2010 zijn de regels over biotechnologie bij dieren vereenvoudigd. Met deze vereenvoudiging komt het grootste deel van de werkzaamheden van de Commissie Biotechnologie bij Dieren te vervallen.