Tot het midden van de negentiende eeuw werd in beperkte mate zeevaartkundig onderwijs gegeven. Particuliere leraren gaven de zeelieden onderricht in de zogeheten “Stuurman-Collegies”. Zo onderwezen zij hen “de kunst te leren een schip over zee te brengen”. Pas in 1873 benoemde de Nederlandsche Maatschappij ter bevordering van Nijverheid en Handel een commissie van drie personen uit de scheepvaart om het onderwijs in de zeevaart te stimuleren. De benoeming werd aan koning Willem III verstuurd. Het resultaat verscheen in het Koninklijk Besluit van 5 mei 1877, Stb.98, waarin de afname van stuurliedenexamens werd vastgelegd. De Commissie van Stuurliedenexamens werd toen officieel ingesteld. In 1891 kwam er een commissie voor machinistenexamens bij: de Commissie voor de examens Scheepswerktuigkundigen. In 1935 tenslotte werden de Wet op Zeevaartdiploma’s en de Wet op de Zeevisvaartdiploma’s door de Tweede Kamer aangenomen. Het resultaat hiervan volgde een jaar later in de Commissie voor de Visscherijexamens. De drie commissies werden voorgezeten door één persoon. Deze persoon en de secretarissen werden door de minister van Verkeer en Waterstaat aangesteld.Pas in de jaren zeventig van de twintigste eeuw gingen de commissies samen op in de Examencommissies Zeevaartdiploma’s. De examens kwamen onder gezamenlijk toezicht van de ministeries Onderwijs en Wetenschappen en Verkeer en Waterstaat. Met de inwerkingtreding van de Zeevaartbemanningswet op 1 februari 2002 zijn de Examencommissies gestopt met het afnemen van de examens. Pas op 1 februari 2007 werden de Examencommissies Zeevaardiploma's ontbonden.