In 1811 was Nederland bij Frankrijk ingelijfd. Voor het gehele Franse rijk, dus ook voor Nederland, werd bepaald dat er één minister van politie kwam met daaronder voor Nederland een directeur-général. Dit betekende een sterke centralisatie. Schout en schepenen die tot dan toe bemoeienis met de politie hadden gehad, verdwenen. Haarlem had in deze tijd twee commissarissen van politie, omdat de stad in twee arrondissementen was verdeeld. Naast taken op het gebied van de openbare orde en veiligheid, hulpverlening bij rampen en het toezicht op de handel in levensmidden, waren de commissarissen verantwoordelijk voor het tegengaan van de misdaad en het opstellen van de processen-verbaal. Na de Franse bezetting, in november 1813, maakte de staatspolitie plaats voor een gemeentelijke politie. De burgemeester werd belast met het toezicht en bestuur en de commissaris kreeg de directe leiding over het korps. Na de Tweede Wereldoorlog kreeg Haarlem een hoofdcommissaris. Naarmate het aantal inwoners verder groeide, ontstonden er binnen de politie meer specialismen en werden de taken steeds omvangrijker. In 1983-1985 voerde Haarlem als eerste grote stad het wijkteamsysteem in. Na een lange periode van voorbereiding, besloot het kabinet in 1989 dat Rijks- en de Gemeentepolitie moesten samengaan. De inwerkingtreding van de nieuwe Politiewet per 1 januari 1994 betekende het einde van de Gemeentepolitie te Haarlem. Rechtsopvolger: Regiopolitie Kennemerland. De Regiopolitie Kennemerland bestaat uit elf gemeenten (Bennebroek, Beverwijk, Bloemendaal, Haarlem, Haarlemmerliede en Spaarnwoude, Haarlemmermeer, Heemskerk, Heemstede, Uitgeest, Velsen en Zandvoort) en is onderverdeeld in vier districten (Haarlem, Haarlemmermeer, IJmond en Kennemerland-Zuid).