Met de "Wet tot Opheffing van Provinciale Geregtshoven en Instelling van nieuwe Gerechtshoven" van 10 november 1875, Staatsblad 204, werden de provinciale gerechtshoven opgeheven en werden vijf regionale gerechtshoven ingesteld, gevestigd in Amsterdam, Arnhem, Den Bosch, Den Haag en Leeuwarden. Bij de wetten van 9 april 1877, Staatsbladen 74-78, werden de rechtsgebieden van de nieuwe gerechtshoven nader bepaald. Het gerechtshof is belast met de rechtspraak in straf-, rekest- en burgerlijke zaken, waarvan in eerste aanleg de vonnissen uitgesproken en de beschikkingen gegeven zijn door de rechtbanken die in zijn ressort gelegen zijn en tegen welke vonnissen en beschikkingen hoger beroep is ingesteld. De vonnissen van het gerechtshof heten arresten, de rechters van het gerechtshof heten raadsheren en de leden van het Openbaar Ministerie, 'de openbare aanklager', bij het gerechtshof heten procureur-generaal en advocaten-generaal. Tegen de arresten van het hof kan beroep in cassatie (vernietiging van het arrest) bij de Hoge Raad der Nederlanden te Den Haag worden ingesteld. De rekesten worden in raadkamer behandeld en of aldaar afgedaan of uitgesproken op de openbare zitting. Aanvankelijk bestonden er bij het gerechtshof één kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken en één kamer voor de behandeling van strafzaken. Voor de burgerlijke zaken kwam er bij het hof in Amsterdam in 1910 een tweede kamer en in 1920 een derde kamer. In de jaren dertig kwam er een tweede kamer voor strafzaken, de beide strafkamers waren toen de vierde en vijfde kamer. Van 1941-1945 bestond er een economische kamer voor strafzaken ingesteld voor de berechting van overtredingen van diverse economische wetten en besluiten. Voor de behandeling van overige strafzaken was er in de periode 1943-1946 slechts één kamer. In de periode 1943-1945 waren er alleen de eerste en tweede kamer voor burgerlijke zaken. Incidenteel behandelde de vijfde kamer ook burgerlijke zaken, zoals in 1940 en in 1948.