Overzicht relaties

Hierarchisch bovenliggend
Voorgangers en opvolgers
Beschrijving
Bestaansperiode
Begindatum
1993
Einddatum
1997
Geschiedenis

In 1989 werden de publiekrechtelijke taken op het gebied van jeugdzorg in Utrecht uitgevoerd door de Stichting Jeugd en Gezin Midden Nederland. Deze stichting nam per 1 januari 1993 de taken over van de werkeenheid Utrecht Jeugd Hulpverlening van de Vereniging Humanitas en ging verder onder de naam Stichting Jeugdhulpverlening Midden Nederland. . Op 23 juni 1997 veranderde de stichting haar naam in Stichting Jeugdzorg Midden Nederland.

Algemene context

Wet op de jeugdhulpverlening – (gezins)voogdij-instellingen 

Sinds 1989 was de Wet op de Jeugdhulpverlening (Wjhv) van kracht. Met deze wet werd de jeugdbescherming ingebed in het geheel van de jeugdhulpverlening. De verantwoordelijkheid voor de jeugdbescherming (OTS en voogdij) werd in de wet neergelegd bij de kinderrechter die deze taken liet uitvoeren door de gezins(voogd). 

De Wjhv had tot gevolg dat de (gezins)voogdij-instelling – naast de Raad voor de Kinderbescherming – verantwoordelijk werd voor de plaatsing van jeugdigen bij een jeugdhulpaanbieder. De (gezins)voogdij-instelling droeg zorg voor: 

• het onderzoek naar de problemen en/of stoornissen van de jeugdige, waarbij wordt vastgesteld welke hulpverlening noodzakelijk is; 

• de evaluatie van de hulpverlening, waarbij vastgesteld wordt of de hulpverlening, eventueel elders, moet worden voortgezet; 

• de vaststelling van de termijn van de hulpverlening. 

Jeugdhulpaanbieders, RIAGG en de Raad voor de kinderbescherming werkten samen in regionale samenwerkingsverbanden. Deze regionale samenwerkingsverbanden coördineerden de werkzaamheden van de diverse instanties binnen de regio. Per regio werd ook een jeugdhulpadviesteam benoemd, met vier taken: 

• het op verzoek stellen van een diagnose in jeugdhulpverleningszaken waarin een multidisciplinaire aanpak noodzakelijk is; 

• het op verzoek adviseren van de plaatsende instantie omtrent de aard van de noodzakelijk geachte hulpverlening;

• het op verzoek adviseren van de rechter, bij toepassing van OTS met uithuisplaatsing of het jeugdstrafrecht; 

• het bijhouden van de registratie van aanvang en beëindiging van secundaire hulpverlening voor pleegzorg, semi-residentiële en residentiële hulpverlening. 

Ondertoezichtstelling (OTS) 

In 1995 werd de uitvoering van de OTS en de voogdij gewijzigd. Deze wijziging had ingrijpende gevolgen voor de (gezins)voogdij-instellingen. De kinderrechter raakte de leiding over de OTS kwijt en de OTS werd niet meer opgedragen aan een gezinsvoogd, maar het kind werd onder toezicht gesteld van een (gezins)voogdij-instelling. De gezinsvoogdij-instellingen mochten bepalen of verlenging van de OTS nodig was. Voor verlenging dienden zij een verzoek in bij de kinderrechter. Indien de gezinsvoogdij-instelling van mening was dat verlenging niet nodig was, moest dit worden gemeld aan de Raad voor de Kinderbescherming. Die kon dan, als ze het er niet mee eens was, zelf een verzoek tot continuering van de OTS-maatregel bij de kinderrechter indienen. Deze wetswijziging leidde ertoe dat de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de jeugdbescherming bij de gezinsvoogdij-instellingen kwam te liggen. De openbaar gezagtaken van de (gezins)voogdij instellingen, ter uitvoering van de wettelijke taak om kinderbeschermingsmaatregelen uit te voeren, waren het geven of intrekken van een schriftelijke aanwijzing, het nemen van besluiten rondom uithuisplaatsingen nadat een rechter had beslist tot een machtiging tot uithuisplaatsing en het al dan niet beperken van het contact na uithuisplaatsing. 

Wijziging voorlopige maatregelen van kinderbescherming 

In 1997 werden de voorlopige maatregelen van kinderbescherming gewijzigd. In plaats van de maatregel van voorlopige toevertrouwing aan de Raad, werd de maatregel van voorlopige voogdij in het leven geroepen waarmee de minderjarige onder de voorlopige voogdij van een (gezins)voogdij-instelling werd geplaatst. Ook de maatregel van voorlopige ontheffing of ontzetting uit het gezag werd omgezet naar een maatregel van voorlopige voogdij. 

Wet op de jeugdzorg – Bureaus Jeugdzorg 

Na invoering van de Wjhv werd duidelijk, dat de jeugdzorg nog verder moest werden verbeterd: voor de cliënt was het hulpaanbod niet duidelijk, er was te weinig samenhang binnen de jeugdzorg en de toegang tot jeugdzorg was niet eenduidig. Eind jaren 1990 constateerde de regering dat een nieuwe wet nodig was om de benodigde vernieuwing door te zetten en te verankeren. Dit leidde op 1 januari 2005 tot de inwerkingtreding van de Wet op de Jeugdzorg (Wjz). 

Relaties
Voorgangers
Naam Jaar van overgang Beschrijving
Stichting Jeugd en Gezin Midden-Nederland
Opvolgers
Naam Jaar van overgang Beschrijving
Stichting Jeugdzorg Midden-Nederland
Beheer
Identificatiecode van de instelling
Nationaal Archief
Publicatiestatus
Definitief
Niveau van detaillering
Gedeeltelijk
URL (permalink)
https://hdl.handle.net/10648/3a74eb0f-05ea-4ad5-bd4a-e67b2716c916