Overzicht relaties

Hierarchisch bovenliggend
Voorgangers en opvolgers
Identiteit
Parallelle namen
Directeur-Generaal van het Loodswezen
Andere namen
Loodswezen
Beschrijving
Bestaansperiode
Begindatum
1859
Einddatum
1980
Geschiedenis

Van Rijksloods naar loods in de markt,de achtergronden 1859-2000

In de eerste helft van de 19e eeuw waren er in Nederland voor het beloodsen van zeeschepen twee categorieën loodsen, staatsloodsen en loodsen die lid waren van particuliere loodsenverenigingen. Deze loodsen hadden tegenstrijdige belangen en waren elkaars concurrenten. Echte marktwerking dus. Toch bleek dat in de praktijk tot een onwerkbare situatie te leiden. In 1852 werd daarom door het Rijk een staatscommissie benoemd met de opdracht voor het Loodswezen een nieuwe organisatievorm te ontwerpen.

Het advies van de commissie was het oprichten van één Rijksloodswezen waarin de staatsloodsen en de particuliere loodsen geïntegreerd moesten worden. De overheid nam dit advies over en in de Loodsenwet van 1859 eiste de Staat het monopolie op van het beloodsen van zeeschepen 'in en uit de Nederlandse zeegaten en zeehavens en langs de rivieren, stromen, vaarwaters en kanalen van dit Rijk. De uitoefening der loodsdienst geschiedt door daartoe geëxamineerde en beëdigde loodsen, voorzien van een acte van aanstelling en van een loodsmansteeken'. Bij wet werden de loodsdistricten bepaald. Plaatselijke loodsdiensten in binnenhavens die bestuurd werden door gemeenten werden wel toegestaan.

De overgang naar V&W in 1980

Na invoering van de Loodsenwet van 1859 ressorteerde het Loodswezen onder het Ministerie van Marine en later Ministerie van Defensie. Dit had voor- en nadelen. Aan de ene kant profiteerde het Loodswezen van de faciliteiten van de marine, aan de andere kant was het de sluitpost van de begroting van defensie. Zuinigheid en een gebrek aan inzicht in het loodsenwerk was kenmerkend voor het beleid. Er was grote afstand tussen de leiding, de kolonels en het personeel, hetgeen tot veel conflicten geleid heeft.

De loodsen organiseerden zich na de Tweede Wereldoorlog in de erkende ambtenarenorganisaties. De herstellende economie in de jaren vijftig leidde tot een grote toename van het te beloodsen scheepvaartaanbod. De vergrote werkdruk, waarbij van de loodsen veel geëist werd en waarbij noch in de reglementen en nog in de ambtelijke wetgeving enige compensatie gevonden werd leidde tot frustraties. Men leek niet in staat om de belangen van de loodsen bij de dienstleiding onder de aandacht te brengen. Het leidde tot grote spanningen en zelfs tot Kamervragen aan de Minister van Defensie. De antwoorden van de minister werden als niet, of niet geheel, juist ervaren. De spanning bleef en dit leidde op 25 augustus 1958 in Rotterdam tot oprichting van de Vereniging 'De Nederlandse Loods'(VNL),waarin de helft van de loodsen georganiseerd was. Een aantal dat gestadig toenam. De VNL werd een belangrijke speler in de toekomst van het Loodswezen en zou een grote rol spelen bij de toekomstige verzelfstandiging. Op 1 maart 1958 trad de Loodswet 1957 in werking. De hoogst bereikbare rang van de voor het uit de koopvaardij afkomstige loodspersoneel was de rang van commissaris. De directeur was een uit de Koninklijke Marine afkomstig officier in de rang van kapitein ter zee. Uit de vier directeuren van de vier districten werd de directeur-generaal benoemd in de rang van schout bij nacht. Ook de loodsen behoorden tot de Koninklijke Marine via de Koninklijke Marine Reserve. Zij hadden de rang van luitenant ter zee 2e klasse jongste categorie KMR.

In de loop van het jaar 1966 bleek dat er in de standplaatsen IJmuiden en Amsterdam door de loodsen "ongeoorloofde handelingen" waren gepleegd op financieel gebied. Er was geld aangenomen van sleepbootrederijen. Er werd een Commissie ingesteld, die belast werd met het instellen van een administratief onderzoek.

Blijkens de taakopdracht in de beschikking van 11 december 1968 diende de Commissie in de eerste plaats te zoeken naar de oorzaken en, eventueel, fouten of verzuimen, waardoor die ongeoorloofde handelingen gedurende vele jaren konden plaatsvinden. De Commissie stelde maatregelen voor die er toe moesten leiden, dat misbruiken zoals in het 3de district aan het licht waren gekomen, in het vervolg zouden kunnen worden voorkomen. Uit al hetgeen de Commissie had gelezen en gehoord was duidelijk geworden dat het Loodswezen leed aan het solitaire karakter van de ambtsuitoefening van de loods en vooral ook aan het gebrek van goede communicatie, onderling vertrouwen en onderlinge waardering tussen de loodsen en de dienstleiding van het Loodswezen. Het solitaire karakter van de loodstaak was moeilijk te veranderen, maar er moest wel verbetering worden gebracht in de onderlinge communicatie, vertrouwen en waardering tussen de loodsen en de dienstleiding van het Loodswezen. De Commissie stemde er mee in dat het Ministerie van Defensie (Marine) zich bij de plannen tot wijziging van de structuur van het Loodswezen, ten doel stelde de verbetering van de verticale communicatie als middel om de kloof tussen de loodsen en de dienstleiding te overbruggen. Bij beschikking van de Minister van Defensie van 18 oktober 1968 werden de plannen tot wijziging van de structuur van Loodswezen aangegeven en uitgewerkt door het Raadgevend Efficiëntie Bureau Bosboom en Hegener N.V. te Amsterdam. Hoewel in het rapport van Bosboom en Hegener de eigenlijke reden voor de reorganisatie niet werd genoemd vielen twee adviezen op nl. dat er een nieuwe functionaris moest komen, de loods/groepschef en dat de commissarisfunctie moest open staan voor loodsen via de functie van loods/groepschef. Deze voorstellen gingen echter voorbij aan de werkelijke oorzaken zoals gebrek aan communicatie, gebrek aan vertrouwen en gebrek aan waardering. Deze gebreken kwamen voort uit de verkeerde ambtelijke structuur van het Loodswezen. De frustratie lag bij de hiërarchie, waarbij het administratief apparaat boven de loodsen gesteld werd. Daarnaast vonden de loodsen dat bij de salarisherziening van 1962 de betaling gezien de zwaarte en taakinhoud van het beroep, niet de waardering gaf waar men recht op meende te hebben.

In 1970 kwam een reorganisatie tot stand met op de achtergrond een salarisactie. Er kwam een herwaardering van de loodsfunctie. De loodsen kregen er een functie van seniorloods bij, de z.g. loods/groepschef. De loodsen kregen ook toegang tot een nieuwe functie, de inspecteursfunctie, maar deze had dezelfde inhoud als die van de oude commissaris. De hiërarchie bleef bestaan, al was het onder een andere naam. De functie voor Directeur werd een open sollicitatie. Maar de Koninklijke Marine behield het recht rechtstreeks of via een open sollicitatie een directeur te benoemen zoals het tot 1975 gebeurde.

In 1969 werd het diploma 1e Stuurman grote handelsvaart verplicht om toegelaten te worden tot de opleiding tot loods. De steeds beter geschoolde en goed georganiseerde loodsen eisten via de vereniging 'De Nederlandse Loods' meer invloed op in de organisatie. Dit leidde in 1976 in het District Rijnmond tot de benoeming van de heer F. Eichelsheim, voormalig voorzitter van de VNL, als eerste loods tot Directeur van het District Rotterdam-Rijnmond.

In Rotterdam opereerde naast de rijksloodsdienst de gemeentelijke havenloodsdienst. In 1970 werd een initiatief wetsontwerp tot opheffing van de havenloodsdienst ingediend door het Tweede Kamerlid ir. H. van Rossum (SGP). De gemeente Rotterdam verzette zich hevig. Er kwam een compromis. Een interdepartementale commissie onder voorzitterschap van prof. W. Duk zou een concept Loodswet maken. Dit concept werd door Rotterdam afgewezen. De Commissie-Duk kreeg een andere taak nl. onderzoeken of een nieuwe loodswet met als uitgangspunt een geïntegreerde loodsdienst haalbaar was. De Commissie-Duk beëindigde in 1981 haar werkzaamheden. Het bleek een vergeefse poging. Wel was duidelijk geworden dat binnen het ambtelijk systeem integreren praktisch onmogelijk was.

Op 2 februari 1979 had de Ministerraad besloten dat er eenheid van maritiem bestuur zou komen bij de Rijksoverheid. Dit hield in dat het RijksLoodswezen, het Directoraat-Generaal van Scheepvaart en de op de zeescheepvaart betrekking hebbende activiteiten van de Rijkswaterstaat in één organisatorische eenheid binnen het Ministerie van Verkeer en Waterstaat zouden worden samengebracht: het Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken (DGSM). Er ontstond eenheid in de ministeriële verantwoordelijkheid voor dit gehele beleidsgebied. Het beleidsvoornemen om te komen tot eenheid van maritiem bestuur was door de Ministerraad op 14 september 1979 bekrachtigd en zou per 1 januari 1980 worden verwerkelijkt. Loodswezen dat decennia lang banden had gehad met de Koninklijke Marine was een burgerorganisatie geworden

Functies en activiteiten

De doelstelling van de dienst van het Loodswezen is dan het bevorderen van de veiligheid van de scheepvaart van en naar de Nederlandse havens en langs de Nederlandse kust. De instrumenten daarvoor zijn een goede beloodsing en verkeersbegeleiding door betonning, bebakening, kustverlichting en kustbewaking.

Structuur

In 1859 (officieus in 1856) kwam bij Koninklijk besluit de leiding van de nieuw ingestelde afdeling Loodswezen en de dienst van het 'Loodswezen, de Betonning, Bebakening en de Verlichting' tot 1948 aan een inspecteur-generaal, vanaf 1948 een directeur-generaal (KB van 12 november 1859, Stbl. 108.).

Overgang van het Loodswezen per 1 januari 1980 van het ministerie van Defensie naar het ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Relaties
Opvolgers
Naam Jaar van overgang Beschrijving
Directie Loodswezen en Scheepvaartverkeer (VenW) 1980
Bovenliggend niveau
Naam Periode Beschrijving
Admiraliteitsraad (Marine) 1966 tot 1975
Ministerie van Defensie 1976 tot 1980
Beheer
Identificatiecode van de instelling
Doc-Direkt
Publicatiestatus
Definitief
Niveau van detaillering
Gedeeltelijk
URL (permalink)
https://hdl.handle.net/10648/204a4dfa-1ead-49f3-851c-b87e5803bbd7
Bronnen

https://web.archive.org/web/20131109143753/http://www.loodswezen.nl/nl/over-het-loodswezen/geschiedenis/files_content/algemeen/Van%20Rijksloods%20naar%20loods%20in%20de%20markt,de%20achtergronden%201859-2000%20-%20Geschiedenis%20van%20het%20Loodswezen%20.pdf

Staatsalmanak 1966, 1976