Het beheer over de kerkelijke eigendommen, waaronder het kerkgebouw zelf, en de financiƫle administratie was vanouds in handen van de kerkmeesters. In 1798 werd de naam kerkmeesters vervangen door kerkvoogden. Hun taak bleef echter gelijk. In de loop van 1820 werd de aanwezigheid van notabelen wenselijk geacht om de taak van de kerkvoogden niet alleen te verlichten, maar in zekere zin ook te controleren. De notabelen op hun beurt benoemden uit hun midden de kerkvoogden. Kerkvoogden en notabelen zouden voortaan de door de kerkvoogden opgemaakte begroting en rekening vaststellen en deze al dan niet goedkeuren; verder zouden de notabelen geraadpleegd worden bij het verrichten van vermogensrechtelijke of burgerrechtelijke beheersdaden en zouden zij de kerkvoogden bijstaan in de verwerving van zgn. levend geld, zoals het innen van de hoofdelijke omslag. Eind januari 1995 is het College van notabelen opgeheven.