Jeugdwet – Gecertificeerde Instellingen
In de evaluatie van het jeugdzorgstelsel rond 2010 kwamen belangrijke tekortkomingen aan het licht:
• financiële prikkels werkten richting dure gespecialiseerde zorg;
• tekortschietende samenwerking rond kinderen en gezinnen; • afwijkend gedrag werd onnodig gemedicaliseerd;
• het kosten opdrijvend effect als afgeleide van deze knelpunten.
In de hierop volgende stelselwijziging, dat leidde tot de inwerkingtreding van de Jeugdwet in 2015, was het uitgangspunt dat jeugdhulp beter, efficiënter en effectiever op lokaal niveau geregeld kon worden. Gemeenten werden verantwoordelijk voor een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod van jeugdhulp en gecertificeerde instellingen. Het wettelijk recht op zorg werd vervangen door een jeugdhulpplicht voor gemeenten. Maar uitgangspunt bleef echter de eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders. Een college van B&W is alleen gehouden een voorziening te treffen als de jeugdige (en zijn ouders) er op eigen kracht niet uitkomen bij opgroeien, zelfredzaamheid of maatschappelijke participatie.
Kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering mogen alleen maar worden uitgevoerd door instellingen die van overheidswege zijn gecertificeerd, een zogenaamde Gecertificeerde Instelling (GI). Doel van certificering is het behouden en het verbeteren van de kwaliteit van de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. Gekozen is voor certificering vanwege de aard van de activiteit: het ingrijpen in de persoonlijke levenssfeer van het kind en zijn of haar gezin. Dit ingrijpen dient met waarborgen omkleed te zijn. Die waarborgen zijn: proportionaliteit en subsidiariteit, rechtsgelijkheid, verbod van willekeur, rechtszekerheid en uniformiteit. Dit betekent onder meer dat een maatregel onderbouwd is en zorgvuldig is voorbereid. Het doel van de kinderbeschermingsmaatregelen is het opheffen van de bedreiging voor de veiligheid en ontwikkeling van het kind. Het doel van begeleiding door de jeugdreclassering is het voorkomen van recidive en het realiseren van een gedragsverandering bij de betrokken jongere. Het jeugdstrafrecht houdt daarbij rekening met de eigen aard en ontwikkeling van de jeugdige. Dit komt onder andere tot uiting in de leeftijdsgrens. Een jeugdige onder 12 jaar kan niet strafrechtelijk worden vervolgd. Met de invoering van de Wet adolescentenstrafrecht op 1 april 2014 is toepassing van het jeugdstrafrecht mogelijk bij jeugdigen die ten tijde van het plegen van het delict 18 tot 23 jaar oud zijn.
Een gecertificeerde instelling verkrijgt een certificaat indien voldaan wordt aan het normenkader met daarin uitgewerkte kwaliteitseisen. Deze eisen zijn enerzijds gebaseerd op eisen uit wetgeving en anderzijds op normen (beroepscodes, methodes en programma’s) die thans worden toegepast bij de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering, en die hun waarde hebben bewezen of veelbelovend zijn.
Een gecertificeerde instelling draagt er verder zorg voor dat de taken worden uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van een geregistreerde professional. De professional registreert zich in het kwaliteitsregister jeugd waarmee het handelen van een jeugdzorgprofessional tevens tuchtrechtelijk toetsbaar wordt.
De Bureaus Jeugdzorg en de landelijk werkende instellingen zijn in 2015 met de inwerkingtreding van de Jeugdwet GI’s geworden. Zij voeren de kinderbeschermings- en jeugdreclasseringsmaatregelen uit in de gemeenten waarmee zij een contract hebben gesloten. Sinds 2015 is er sprake van een vrije marktwerking; concreet zijn er in de afgelopen jaren twee nieuwe GI’s opgericht, waarvan één GI inmiddels is gefuseerd met Jeugdbescherming Regio Amsterdam.