Overzicht relaties

Hierarchisch bovenliggend
Voorgangers en opvolgers
Identiteit
Parallelle namen
Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht
Beschrijving
Bestaansperiode
Begindatum
1998
Einddatum
2014
Geschiedenis

In 1989 werden de publiekrechtelijke taken op het gebied van jeugdzorg in Utrecht uitgevoerd door de Stichting Jeugd en Gezin Midden Nederland. Deze stichting nam per 1 januari 1993 de taken over van de werkeenheid Utrecht Jeugd Hulpverlening van de Vereniging Humanitas en ging verder onder de naam Stichting Jeugdhulpverlening Midden Nederland. Op 23 juni 1997 veranderde de stichting haar naam in Stichting Jeugdzorg Midden Nederland en op 31 maart 1998 kreeg de stichting de naam Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht. 

Op 1 januari 2000 heeft de Stichting Kinder- en Jongerenrechtswinkel haar taken en functies overgedragen aan het Bureau Jeugdzorg Utrecht. In Utrecht is het Bureau Vertrouwensarts in 1996 opgegaan in de Stichting Samenwerking Jeugdhulpverlening. Per 1 januari 1998 is het Bureau Vertrouwensarts onderdeel geworden van de Stichting Jeugdzorg Midden Nederland, die later in dat jaar Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht ging heten. De naam is toen gewijzigd in Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK).

Per 1 januari 2015 zijn de Bureaus Jeugdzorg gecertificeerde instellingen geworden. Bureau Jeugdzorg Utrecht fuseert met Bureau Jeugdzorg Flevoland en gaat verder onder de naam Stichting Samen Veilig Midden-Nederland.

 

Algemene context

Wet op de jeugdhulpverlening – (gezins)voogdij-instellingen 

Sinds 1989 was de Wet op de Jeugdhulpverlening (Wjhv) van kracht. Met deze wet werd de jeugdbescherming ingebed in het geheel van de jeugdhulpverlening. De verantwoordelijkheid voor de jeugdbescherming (OTS en voogdij) werd in de wet neergelegd bij de kinderrechter die deze taken liet uitvoeren door de gezins(voogd). 

De Wjhv had tot gevolg dat de (gezins)voogdij-instelling – naast de Raad voor de Kinderbescherming – verantwoordelijk werd voor de plaatsing van jeugdigen bij een jeugdhulpaanbieder. De (gezins)voogdij-instelling droeg zorg voor: 

• het onderzoek naar de problemen en/of stoornissen van de jeugdige, waarbij wordt vastgesteld welke hulpverlening noodzakelijk is; 

• de evaluatie van de hulpverlening, waarbij vastgesteld wordt of de hulpverlening, eventueel elders, moet worden voortgezet; 

• de vaststelling van de termijn van de hulpverlening. 

Jeugdhulpaanbieders, RIAGG en de Raad voor de kinderbescherming werkten samen in regionale samenwerkingsverbanden. Deze regionale samenwerkingsverbanden coördineerden de werkzaamheden van de diverse instanties binnen de regio. Per regio werd ook een jeugdhulpadviesteam benoemd, met vier taken: 

• het op verzoek stellen van een diagnose in jeugdhulpverleningszaken waarin een multidisciplinaire aanpak noodzakelijk is; 

• het op verzoek adviseren van de plaatsende instantie omtrent de aard van de noodzakelijk geachte hulpverlening;

• het op verzoek adviseren van de rechter, bij toepassing van OTS met uithuisplaatsing of het jeugdstrafrecht; 

• het bijhouden van de registratie van aanvang en beëindiging van secundaire hulpverlening voor pleegzorg, semi-residentiële en residentiële hulpverlening. 

Ondertoezichtstelling (OTS) 

In 1995 werd de uitvoering van de OTS en de voogdij gewijzigd. Deze wijziging had ingrijpende gevolgen voor de (gezins)voogdij-instellingen. De kinderrechter raakte de leiding over de OTS kwijt en de OTS werd niet meer opgedragen aan een gezinsvoogd, maar het kind werd onder toezicht gesteld van een (gezins)voogdij-instelling. De gezinsvoogdij-instellingen mochten bepalen of verlenging van de OTS nodig was. Voor verlenging dienden zij een verzoek in bij de kinderrechter. Indien de gezinsvoogdij-instelling van mening was dat verlenging niet nodig was, moest dit worden gemeld aan de Raad voor de Kinderbescherming. Die kon dan, als ze het er niet mee eens was, zelf een verzoek tot continuering van de OTS-maatregel bij de kinderrechter indienen. Deze wetswijziging leidde ertoe dat de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de jeugdbescherming bij de gezinsvoogdij-instellingen kwam te liggen. De openbaar gezagtaken van de (gezins)voogdij instellingen, ter uitvoering van de wettelijke taak om kinderbeschermingsmaatregelen uit te voeren, waren het geven of intrekken van een schriftelijke aanwijzing, het nemen van besluiten rondom uithuisplaatsingen nadat een rechter had beslist tot een machtiging tot uithuisplaatsing en het al dan niet beperken van het contact na uithuisplaatsing. 

Wijziging voorlopige maatregelen van kinderbescherming 

In 1997 werden de voorlopige maatregelen van kinderbescherming gewijzigd. In plaats van de maatregel van voorlopige toevertrouwing aan de Raad, werd de maatregel van voorlopige voogdij in het leven geroepen waarmee de minderjarige onder de voorlopige voogdij van een (gezins)voogdij-instelling werd geplaatst. Ook de maatregel van voorlopige ontheffing of ontzetting uit het gezag werd omgezet naar een maatregel van voorlopige voogdij. 

Wet op de jeugdzorg – Bureaus Jeugdzorg 

Na invoering van de Wjhv werd duidelijk, dat de jeugdzorg nog verder moest werden verbeterd: voor de cliënt was het hulpaanbod niet duidelijk, er was te weinig samenhang binnen de jeugdzorg en de toegang tot jeugdzorg was niet eenduidig. Eind jaren 1990 constateerde de regering dat een nieuwe wet nodig was om de benodigde vernieuwing door te zetten en te verankeren. Dit leidde op 1 januari 2005 tot de inwerkingtreding van de Wet op de Jeugdzorg (Wjz). Deze wet had tot doel ‘de zorg aan jeugdigen en hun ouders, de cliënten van de jeugdzorg, te verbeteren en hun positie te versterken. De cliënt stond centraal in een meer transparant, eenvoudiger georganiseerd stelsel voor de jeugdzorg’. Dit uitgangspunt werd vertaald in vijf beleidsdoelstellingen: 

• de jeugdzorg wordt gebaseerd op de vraag van de cliënt in plaats van op het aanbod van instellingen en voorzieningen; 

• een cliënt heeft voortaan aanspraak op zorg, recht op zorg, als het bureau jeugdzorg hiervoor een indicatie heeft gesteld; 

• er wordt een onafhankelijk bureau jeugdzorg ingesteld dat voortaan de centrale toegang tot alle jeugdzorg vormt en de indicatie hiervoor verstrekt; 

• in het bureau jeugdzorg worden ambulante jeugdzorg, (gezins)voogdij, jeugdreclassering en het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK’s) geïntegreerd; 

• er komt een gezinscoach, die de verschillende vormen van hulpverlening op elkaar afstemt en het gezin waar nodig ondersteunt, aangewezen door bureau jeugdzorg of de gemeente. 

Voor de (gezins)voogdij-instellingen was een belangrijk gevolg van de Wjz dat de ambulante jeugdhulpverlening en jeugdbescherming voortaan per provincie of grootstedelijke regio werden geïntegreerd in een Bureau Jeugdzorg. De bureaus zouden voortaan de toegang tot de zorg coördineren en verantwoordelijk zijn voor indicatiestelling, plaatsing en casemanagement van hun cliënten. Kinderbeschermingsmaatregelen konden verder nog steeds uitgevoerd worden door de zogenaamde landelijk werkende instellingen zoals de William Schrikker stichting, Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering en de stichting Gereformeerde Jeugdbescherming. Zij voerden vanaf 1 januari 2005 kinderbeschermingsmaatregelen onder mandaat van de bureaus jeugdzorg uit.  

Rond 2010 werd het jeugdzorgstelsel geëvalueerd en kwamen belangrijke tekortkomingen aan het licht. Dit leidde uit eindelijk tot een wijziging van het stelsel en tot het vervangen van de Wet op de Jeugdzorg door de Jeugdwet in 2015. 

Relaties
Voorgangers
Naam Jaar van overgang Beschrijving
Stichting Jeugdzorg Midden-Nederland
Opvolgers
Naam Jaar van overgang Beschrijving
Samen Veilig Midden-Nederland 2015
Beheer
Identificatiecode van de instelling
Nationaal Archief
Publicatiestatus
Definitief
Niveau van detaillering
Gedeeltelijk
URL (permalink)
https://hdl.handle.net/10648/c8f3b4e0-e5b2-4f49-b779-148004ff2305
Bronnen

https://www.nationaalarchief.nl/archiveren/kennisbank/bsd-bureaus-jeugdzorg-1995-ingetrokken