Wet op de jeugdhulpverlening – (gezins)voogdij-instellingen
Sinds 1989 was de Wet op de Jeugdhulpverlening (Wjhv) van kracht. Met deze wet werd de jeugdbescherming ingebed in het geheel van de jeugdhulpverlening. De verantwoordelijkheid voor de jeugdbescherming (OTS en voogdij) werd in de wet neergelegd bij de kinderrechter die deze taken liet uitvoeren door de gezins(voogd).
De Wjhv had tot gevolg dat de (gezins)voogdij-instelling – naast de Raad voor de Kinderbescherming – verantwoordelijk werd voor de plaatsing van jeugdigen bij een jeugdhulpaanbieder. De (gezins)voogdij-instelling droeg zorg voor:
- het onderzoek naar de problemen en/of stoornissen van de jeugdige, waarbij wordt vastgesteld welke hulpverlening noodzakelijk is;
- de evaluatie van de hulpverlening, waarbij vastgesteld wordt of de hulpverlening, eventueel elders, moet worden voortgezet;
- de vaststelling van de termijn van de hulpverlening.
Jeugdhulpaanbieders, RIAGG en de Raad voor de kinderbescherming werkten samen in regionale samenwerkingsverbanden. Deze regionale samenwerkingsverbanden coördineerden de werkzaamheden van de diverse instanties binnen de regio. Per regio werd ook een jeugdhulpadviesteam benoemd, met vier taken:
- het op verzoek stellen van een diagnose in jeugdhulpverleningszaken waarin een multidisciplinaire aanpak noodzakelijk is;
- het op verzoek adviseren van de plaatsende instantie omtrent de aard van de noodzakelijk geachte hulpverlening;
- het op verzoek adviseren van de rechter, bij toepassing van OTS met uithuisplaatsing of het jeugdstrafrecht;
- het bijhouden van de registratie van aanvang en beëindiging van secundaire hulpverlening voor pleegzorg, semi-residentiële en residentiële hulpverlening.
Ondertoezichtstelling (OTS)
In 1995 werd de uitvoering van de OTS en de voogdij gewijzigd. Deze wijziging had ingrijpende gevolgen voor de (gezins)voogdij-instellingen. De kinderrechter raakte de leiding over de OTS kwijt en de OTS werd niet meer opgedragen aan een gezinsvoogd, maar het kind werd onder toezicht gesteld van een (gezins)voogdij-instelling. De gezinsvoogdij-instellingen mochten bepalen of verlenging van de OTS nodig was. Voor verlenging dienden zij een verzoek in bij de kinderrechter. Indien de gezinsvoogdij-instelling van mening was dat verlenging niet nodig was, moest dit worden gemeld aan de Raad voor de Kinderbescherming. Die kon dan, als ze het er niet mee eens was, zelf een verzoek tot continuering van de OTS-maatregel bij de kinderrechter indienen. Deze wetswijziging leidde ertoe dat de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de jeugdbescherming bij de gezinsvoogdij-instellingen kwam te liggen. De openbaar gezagtaken van de (gezins)voogdij-instellingen, ter uitvoering van de wettelijke taak om kinderbeschermingsmaatregelen uit te voeren, waren het geven of intrekken van een schriftelijke aanwijzing, het nemen van besluiten rondom uithuisplaatsingen nadat een rechter had beslist tot een machtiging tot uithuisplaatsing en het al dan niet beperken van het contact na uithuisplaatsing.