Overzicht relaties

Evaluatiecommisse Wet Openbaarheid

Hierarchisch bovenliggend
Voorgangers en opvolgers
Identiteit
Andere namen
EWO/Evaluatiecommissie
Beschrijving
Bestaansperiode
Begindatum
1980-06-10
Einddatum
1983
Geschiedenis

Een belangrijke aanjager in de strijd om te komen tot een wet op de openbaarheid van bestuur was het in 1970 aangenomen rapport "Openbaarheid openheid" van de Commissie Heroriëntatie Overheidsvoorlichting. Het rapport, dat ook een voorontwerp voor een wet openbaarheid bestuur bevatte, stelde dat de burger het recht zou moeten krijgen op informatie over het gevoerde en het te voeren bestuur. Het rapport werd kritisch ontvangen door de regering en de Raad van State. Openbaarheid was volgens hen geen doel op zich, maar een middel om te komen tot een betere communicatie tussen overheid en burger.

De toelichting bij het wetsvoorstel dat vervolgens in 1974 door de regering werd ingediend spreekt desalniettemin ook van een recht van de burger op passieve openbaarheid. In het wetsvoorstel wordt dit recht niet expliciet genoemd; weigering van informatie kon desalniettemin alleen bij toepassing van één van de in de wet genoemde weigeringsgronden, of wanneer dat redelijkerwijs niet in overeenstemming zou zijn met de eisen van goede en democratische bestuursvoering. Voorts legde de toelichting de nadruk op de positieve werking van openbaarheid voor de democratische bestuursvoering.

Het wetsvoorstel werd in 1978 aangenomen en trad in 1980 in werking.

In 1983 werd de wet geëvalueerd door de Evaluatiecommissie wet Openbaarheid, wederom onder leiding van oud-minister-president B.W. Biesheuvel. Het rapport Openbaarheid tussen gunst en recht kwam met 39 aanbevelingen om de actieve openbaarheid te versterken, de termijn om informatie te verstrekken te beperken tot 5 werkdagen, overheden te verplichten in hun begroting aandacht te besteden aan openbaarheid, en een studie te verrichten naar een Wob-databank. Voorts richtte de Evaluatiecommissie de aandacht op het mogelijk verbreden van de reikwijdte van de wet, op onder andere alle (zelfstandige) bestuursorganen, de nutsbedrijven en gesubsidieerde instellingen. In het wetsvoorstel ter vervanging van de wet uit 1978 werd een deel van de aanbevelingen van de Evaluatiecommissie overgenomen, maar al met al bracht het voorstel nauwelijks een verbetering met zich mee voor de openbaarheid. De uitzonderingsgrond om informatie te weigeren vanwege persoonlijke beleidsopvattingen in documenten bestemd voor intern beraad werd uitgebreid. De nieuwe wet trad op 1 mei 1992 in werking.

Functies en activiteiten

De commissie had tot taak de Minister van Algemene Zaken en de Minister van Binnenlandse Zaken te adviseren over de opzet van het verslag dat deze ministers ingevolge art. 5 van de Wet Openbaarheid van Bestuur voor 1 mei 1983 aan de Staten-Generaal dienden te sturen en aan deze ministers te rapporteren over de uitkomsten van onderzoekingen naar de werking van de Wet Openbaarheid van Bestuur.

Mandaten/Gezagsbronnen

Wet Openbaarheid van Bestuur

Beschikking van 10 juni 1980 van de minister van Algemene Zaken en de minister van Binnenlandse Zaken, Stcrt. 1980-115

 

Structuur

De commissie bestond uit: H.A.M Hoefnagels (voorzitter), B.W. Biesheuvel J. Kooiman, J.T. van Stegeren van het ministerie van Binnenlandse Zaken (CZW) als adviserend lid en E.P. Bakker van de Rijksvoorlichtingsdienst als secretaris.

Relaties
Associatieve relaties
Naam Periode Beschrijving
Ministerie van Algemene Zaken (MinAZ) 1980 tot 1983 Instellende minister
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 1980 tot 1983 Instellende minister
Beheer
Identificatiecode van de instelling
Doc-Direkt
Publicatiestatus
Definitief
Niveau van detaillering
Gedeeltelijk
URL (permalink)
https://hdl.handle.net/10648/0579cc86-5ba6-4127-911d-e5ba6def08a7
Bronnen

Kamerstuk 33328, nr. 3

Overzicht adviesorganen van de centrale overheid 1983, ISBN 9012044413