Overzicht relaties

Hierarchisch bovenliggend
Voorgangers en opvolgers
Identiteit
Parallelle namen
Eerste Afdeling
Beschrijving
Bestaansperiode
Begindatum
1877
Einddatum
1940
Geschiedenis

De 1e Afdeling fungeerde vanaf 1877 los van het Algemeen Secretariaat na van 1866-1876 één afdeling te zijn geweest. In 1876 werd het ministerie gereorganiseerd: het aantal afdelingen bleef gelijk, maar binnen het takenpakket werd nogal geschoven. Zo kreeg de 1e Afdeling zaken betreffen­de personen en familierecht toegewezen (vanuit de 2e Afdeling). In 1886 werd het takenpakket nog verder uitgebreid met adelszaken en eredienst (tevens afkomstig van de 2e afdeling).[1]

Een belangrijke taak van de afdeling was het verlenen van naturalisaties. Na de Grondwetwijziging van 1848 werd aan de hand van de wet (12 december 1892 Stbl. 268) bepaald wie genaturaliseerd kon worden, daarvoor verleende de Koning naturalisatie. Verzoeken om naturalisatie werden op het Ministerie van Justitie behandeld: na het inwinnen van inlichtingen (‘ambtsberichten’) bij diverse autoriteiten, werd beoordeeld of het verzoek al dan niet voor inwilliging in aanmerking kwam; ingeval van geen bezwaar werd een wetsontwerp opgemaakt (meestal van een aantal personen tegelijk), dat verder de gewone behandeling van een wetsontwerp kreeg. Ook verrichtte Justitie voorbereidingswerkzaamheden bij koninklijke besluiten inzake naamsaanneming en naamsverandering.[2]

De 1e Afdeling hield ook toezicht op rechtspersonen. Om rechtspersoonlijkheid te verkrijgen dienden naamloze vennootschappen en verenigingen hun statuten te laten goedkeuren. Voor verenigingen die als rechtspersoon wilden optreden was goedkeuring van de statuten bij koninklijk besluit nodig. Rechtspersoonlijkheid kon worden geweigerd op grond van het algemeen belang. De voorbereiding van de KB’s vond plaats op het Ministerie van Justitie, dat ook zorg droeg voor publicatie in de Staatscourant.

Daarnaast zorgde de afdeling voor de uitvoering en toepassing van de wet tot regeling van het toezicht op de kerkgenootschappen van 1853. Op grond van de wet moesten kerkgenootschappen de inrichting en bestuur aan de minister van Justitie mededelen.

Verder verzorgde de 1e afdeling ook het auteursrecht. De wet van 1881 voor letterkundige werken en kunst­werken koppelde de duur van het auteursrecht aan het jaar van eerste uitgave. De werken moesten bij het Ministerie van Justitie geregistreerd worden en gepubliceerd in de Staatscourant. Nadat Nederland was toegetreden tot de zogenaamde Berner Conventie, werd de wet in 1912 aangepast aan internationaal geldende maatstaven.[3]

Functies en activiteiten

De 1e Afdeling had taken omtrent:

- burgerlijk en handelsrecht;

- rechterlijke organisatie;

- gerechtelijke statistiek (1884-1887);

- verenigingen en naamloze vennootschappen;

- verzoeken om dispensatie, meerderjarigverklaring, wettiging, naamsaanneming;

- naturalisaties;

- consulaire wetgeving;

- wetgeving op het notariaat;

- uitvoering van de wet die de kleinhandel in sterke drank regelt en tot beteugeling van openbaar dronkenschap (1883-1888);

- uitvoering van de wet tot regeling van het auteursrecht en beheer van de drukwerken (vanaf 1883);

- Rogatoire commissies;

- buitenlandse dagvaardingen.

- adelszaken (vanaf 1887);

- toezicht op de kerkgenootschappen (vanaf 1887).[4]

 

 

De 1e Afdeling is vanaf 1902 verdeeld in drie bureaus:

1. Bureau A Uitvoering van de wet tot regeling van het auteursrecht en beheer van de werken. Dit bureau bestond tot 1913. Daarna verhuist het bureau naar het Algemeen Secretariaat.

Bureau A Behandeling van Adelszaken (1913-1931);

Bureau A Behandeling van Adelszaken en wapen van publiekrechtelijke lichamen (1932-1937).

Bureau A is in 1938 opgeheven.

2. Bureau B

- Naamloze vennootschappen en verenigingen.

3. Bureau C.

- burgerlijk en handelsrecht (tot 1939);

- burgerlijk recht (vanaf 1939)

- internationaal privaatrecht (vanaf 1913);

- rechterlijke organisatie;

- verzoeken om dispensatie van huwelijksverboden, vergunning tot voltrekking van het huwelijk door een gevolmachtigde (vanaf 1940);

- verzoeken om dispensatie, meerderjarigverklaring, wettiging, naamsaanneming;

- naturalisaties;

- consulaire wetgeving;

- wetgeving op het notariaat;

- wetgeving op het testamentenregister (vanaf 1930);

- Auteursrecht, Arbeidsrecht, Pachtrecht, Zeerecht (vanaf 1940);

- levensverzekeringsbedrijf (vanaf 1940);

- Rogatoire commissies in burgerlijke zaken en uitreiking van gerechtelijke stukken uit en aan het buitenland (tot 1940);

- toezicht op de kerkgenootschappen.[5]

Structuur

In 1940 wordt Bureau C veranderd naar Bureau A.

Relaties
Voorgangers
Naam Jaar van overgang Beschrijving
1e Afdeling Algemeen Secretariaat (Justitie) 1877
2e Afdeling (Justitie) 1877 Taken omtrent burgerlijk –en handelsrecht, verenigingen, naamloze vennootschappen, verzoeken om dispensatie etc. zijn opgesplitst / opgegaan in de 1e Afdeling.
Bovenliggend niveau
Naam Periode Beschrijving
Ministerie van Justitie 1877 tot 1940
Beheer
Identificatiecode van de instelling
Nationaal Archief
Publicatiestatus
Definitief
Niveau van detaillering
Gedeeltelijk
URL (permalink)
https://hdl.handle.net/10648/05ab00e2-2e3f-400d-b394-3c70ec223c30
Bronnen

[1] F.J.M. Otten, Gids voor de archieven van de ministeries en de Hoge Colleges van Staat 1813-1940 (Den Haag 2004) 324.

[2] Ibidem, 329-330.

[3] Ibidem, 330.

[4] Staatsalmanakken 1878-1892, 1896-1897 en 1900-1901.

[5] Staatsalmanakken 1902-1904, 1908, 1912-1918, 1923, 1925, 1929-1940.