Overzicht relaties

Hierarchisch bovenliggend
Voorgangers en opvolgers
Identiteit
Parallelle namen
Vierde Afdeling Nationale Militie en Schutterijen
Beschrijving
Bestaansperiode
Begindatum
1832
Einddatum
1908
Geschiedenis

Militie-en schutterijzaken vielen al vanaf 1813 onder de verantwoordelijkheid van Binnenlandse Zaken. Militiezaken waren geregeld in de wet op de nationale militie van 1815. Er was een militieplicht (ook wel conscriptie geheten), maar de militie bestond als eerste uit vrijwilligers. Pas bij te weinig vrijwillige aanmeldingen werd er gebruikt gemaakt van loting om het benodigde aantal manschappen te krijgen. Het was mogelijk om de plaats van iemand in te nemen die was ingeloot, maar dit vereiste een betaling en goedkeuring door de militieraad.[1]

De militiewet schreef een vijfjarige militieplicht voor vanaf het negentiende jaar, het aantal jaarlijks in te lijven miliciens en de verdeling daarvan over de militiekantons (militiedistricten vanaf 1861). Een militiecommissaris hield samen met de militieraad toezicht op alle militiezaken. Elk gemeentebestuur moest een register bijhouden van militieplichtigen. Het militieregister bestond uit geschikte personen ten behoeve van de jaarlijkse lotingen. De militieraad beoordeelde geschikte kandidaten en tijdelijke of definitieve vrijstelling van militieplichtigen. Men kom in beroep gaan tegen uitspraken van de militieraad bij de Gedeputeerden Staten of de Kroon. De grondwet van 1848 verhoogde de minimumleeftijd van de militieplichtige naar twintig jaar. In 1861 werd een nieuwe militiewet ingevoerd, maar behalve een verhoging van het contingent bleef het al bestaande stelsel intact.[2]

In 1899 werd de persoonlijke dienstplicht ingevoerd. Het remplaçanten­stelsel werd afgeschaft (plaatsvervanging), omdat het de hogere standen en het best opgeleide gedeelte van de bevolking buiten het leger hield. De wijzigingen werden vastgelegd in de Militiewet van 1901. Het systeem van loting bleef wel intact.[3]

De schutterijen waren belast met handhaving van rust en orde. De schutterijzaken waren geregeld in de Wet op de Schutterijen van 11 april 1827. Een schutterij moest in de gemeente worden opgericht als er meer dan 2500 inwoners waren. Bij minder inwoners moest er een rustende schutterij bestaan die alleen in noodsituaties werd opgeroepen. De schutterplichtige leeftijd was 24 tot 34 jaar en sloot aan op de militiejaren. Bij de schutterij was er ook sprake van een loting als het noodzakelijke aantal schutters niet bereikt werd op vrijwillige basis. De schutters vielen onder de rechtspraak van de schuttersraden.[4]

De Landweerwet van 1901 bepaalde, dat dienstplichtigen na vervulling van hun dienstplicht automatisch voor een periode van zeven jaar overgingen naar de Landweer, een vorm van herhalingsoefeningen. In tijden van oorlog zou de landweer bij het staande leger worden gevoegd.[5]

Functies en activiteiten

De taken ten aanzien van de militie:

- aannemen van vrijwilligers;

- bepaling van het jaarlijks contingent;

- benoeming van militiecommissarissen en leden van militieraden;

- behandeling van reclames over verleende of geweigerde vrijstellingen;

- idem van hoger beroep (bij de Kroon) van uitspraken van Gedeputeerde Staten;

- plaatsvervanging en nummerverwisseling;

- opsporing van nalatige lotelingen;

- vergunning tot het aangaan van een huwelijk door militieplichtigen;

- ontslag.[6]

 

De taken ten aanzien van de schutterijen:

- regeling van de sterkte van de schutterijen;

- begrotingen van schutterijen;

- inschrijving, loting, naloting en nummerverwisseling;

- behandeling van reclames over verleende of geweigerde vrijstellingen;

- voordrachten aan de Koning inzake benoeming en ontslag van officieren;

- wapens, kleding en uitrusting;

- inspecties en wapenoefeningen;

- tucht en rechtspleging.[7]

Relaties
Voorgangers
Naam Jaar van overgang Beschrijving
Afdeling E Nationale Militie en Schutterijen (BiZW, BiZOW, BiZa) 1832
Opvolgers
Naam Jaar van overgang Beschrijving
Afdeling Militie en Weerbaarheid (BiZa) 1908
Bovenliggend niveau
Naam Periode Beschrijving
Ministerie van Binnenlandse Zaken 1832 tot 1908
Beheer
Identificatiecode van de instelling
Nationaal Archief
Publicatiestatus
Definitief
Niveau van detaillering
Gedeeltelijk
URL (permalink)
https://hdl.handle.net/10648/78274606-7d90-4e86-b67d-e3cc9e5b5e92
Bronnen

[1] F.J.M. Otten, Gids voor de archieven van de ministeries en de Hoge Colleges van Staat 1813-1940 (Den Haag 2004) 173-174.

[2] Ibidem, 173-174.

[3] Ibidem, 174.

[4] Idem.

[5] Idem.

[6] Staatsalmanak 1860 en 1876.

[7] Staatsalmanak 1860 en 1876.