Overzicht relaties

Hierarchisch bovenliggend
Voorgangers en opvolgers
Beschrijving
Bestaansperiode
Begindatum
1815
Einddatum
1940
Geschiedenis

Het Secretariaat werd in 1815 opgevolgd als Ministerie van Buitenlandse Zaken. Deze laatste benaming is sindsdien ongewijzigd gebleven. In de eerste jaren na 1813 kende Nederland een vrij actieve buitenlandse politiek in verband met het streven van koning Willem I zijn rijk als grote mogenheid erkend te krijgen. Na de afscheiding van België (1839) moest deze politiek worden opgegeven. Het ministerie van Buitenlandse Zaken genoot medio negentiende eeuw weinig prestige. Bij kabinetsformaties fungeerde het ministerie nogal eens als sluitpost: de benoeming van relatief veel katholieken op deze post in een tijd dat deze bevolkingsgroep bij publieke functies nog nauwelijks meespeelde, is hiervoor een indicatie.

De Staten-Generaal toonden als regel weinig belangstelling voor de buitenlandse politiek. Omge­keerd had het parlement weinig grip op het beleid, wat onder meer samenhing met de betrekkelijk geringe wetgevende activiteit van Buitenlandse Zaken en met de geheimhouding die vaak vereist was. De Eerste Wereldoorlog bracht de gebreken in de organisatie en bezetting van het ministerie pijnlijk aan het licht. Onder H.A. van Karnebeek werd Buitenlandse Zaken gereorganiseerd. Nederland werd lid van de Volkenbond en ging een actieve zelfstandigheidspolitiek voeren.[1]

 

Functies en activiteiten

Het Ministerie van Buitenlandse Zaken had van 1815 tot 1876 een groot takenpakket:

- organisatie en personeel van het departement en van de buitenlandse dienst;

- benoeming en ontslag van consulaire ambtenaren;

- comptabele aangelegenheden;

- protocollaire aangelegenheden omtrent het Koninklijk Huis, bekrachtiging van verdra­gen, verlenen en aannemen van onderscheidingen, erkenning van diplomatieke en consulaire vertegenwoordigers;

- belangenbehartiging van Limburg (vanaf 1840) en Luxemburg (vanaf 1815) als leden van de Duitse Bond;

- betrekkingen met het buitenland omtrent politiek-militaire zaken (waaronder grensverdragen), economische zaken (zoals onderhandelin­gen over verdragen van handel en scheepvaart), juridische aangelegenheden (onder meer uitleve­ring van misdadigers), en scheepvaart (met name de Rijnvaart);

- behandelen van traktaten;

- ochtendrapportage aan de Koning en de politieke rapportage van Nederland­se diplomatieke vertegenwoordigers in het buitenland. De ochtendrapporten zijn in feite agenda's waarmee politieke depêches aan de Koning werden aangeboden, met een `voorlopig voorstel' van de minister inzake de afdoening en een kolom waarin de `beslissing van den Koning' kon worden vermeld (ook na 1848 toen er voor de Koning aanzienlijk minder zelfstandig viel te beslissen).[2]

 

Na 1876 zijn de belangrijke functies en activiteiten van buitenlandse zaken geplaatst onder de desbetreffende afdelingen (zie hiërarchisch onderliggende actoren).

Structuur

Periode 1813-1876

Binnenlandse Zaken kende geen afdelingen tot 1876. Wel ressorteerde van 1814 tot 1824 twee bureaus onder het ministerie. Het Eerste Bureau voor politieke en geheime zaken en het Tweede Bureau voor commerciële, financiële en huishoudelijke zaken. In september 1815 kreeg het departementshoofd de titel van minister. Na de samenvoeging met België resideerde het ministerie afwisselend in Den Haag en Brussel. In verband met de grote-mogendheidaspiratie hield Buitenlandse Zaken tijdens het Verenigd Koninkrijk van Willem I een zware diplomatieke vertegenwoordiging in het buitenland in stand. Zo bedroegen de kosten van het gezantschap te Londen in 1815 liefst 100.000 gulden. Dit was het dubbele van het ministerie zelf dat destijds vijftien personeelsleden telde.

Op 4 september 1823 werd een secretaris-generaal aangesteld. Het Eerste en Tweede Bureau werden opgeheven. De administraties van voor de Nationale Nijverheid (1834-1841) en de Rooms-Katholieke Eredienst (1862-1866) vielen tijdelijk onder Buitenlandse Zaken. In 1866 werd het Kabinet ingesteld onder leiding van een ervaren diplomaat.[3]

 

Periode 1876-1918

Per 1 september 1876 werd onder minister Van der Does de Willebois een belangrijke reorganisa­tie doorgevoerd. Het was de bedoeling dat de ambtelijke taken beter verdeeld werden. De secreta­ris-generaal kreeg nu de beschikking over een Algemeen Secretariaat en drie afdelingen: de Eerste afdeling Politieke Zaken, de Tweede afdeling Consulaire- en Handelszaken, en de Derde afdeling Comptabiliteit. Vanaf 1900 fungeerde een Directie van het Protocol. Dit was de opvolger van het vroegere bureau Protocol van het Algemeen Secretariaat.

In 1875 werd de Leidse jurist T.M.C. Asser als raadadviseur bij het ministerie aangesteld. Hij hield zich bezig met aangelegenheden van internationaal recht. Rond de eeuwwisseling verkreeg Nederland internationaal een zeker prestige, waardoor in Den Haag een tweetal vredes­conferenties (1899, 1907) werd gehouden. In 1913 werd het Vredespa­leis gevestigd.[4]

 

Periode 1918-1940

Onder de in 1918 nieuw aangetreden minister H.A.van Karnebeek werd bij Buitenlandse Zaken een reorganisatie doorgevoerd. Deze organisatie bleef in grote lijnen ongewijzigd tot 1940. Daarbij bleef de verdeling in afdelingen op basis van inhoudelijke taakverdeling het uitgangspunt (onderscheid tussen politiek en economie taken). Van Karnebeek richtte najaar 1918 een nieuwe Directie van Economische Zaken (DEZ) op.

In de jaren 1919 en 1920 werd ook de andere beleidsafdeling gereorganiseerd. Er kwam nu een afdeling Diplomatieke Zaken en een afdeling Juridische Zaken. Begin 1920 was Nederland, zonder veel geestdrift, toegetreden tot de Volkenbond. Op het Ministe­rie van Buitenlandse Zaken leidde dit in 1921 tot de instelling van een nieuwe afdeling Volkenbondzaken. Hierdoor werd de functionele structuur in de organisatie doorbroken: aangelegenhe­den die in de Volkenbond aan de orde kwamen, hadden namelijk raakvlakken met alle hiervoor genoemde beleidsafdelingen.

Begin jaren 1930 was er een toenemende kritiek vanuit het bedrijfsleven over de behandeling door Buitenlandse Zaken van handelspolitieke zaken. Daarom werd de beleidsverantwoordelijkheid voor de buitenlandse economische betrekkingen in 1933 geconcentreerd bij het Ministerie van Economische Zaken.[5]

Relaties
Voorgangers
Naam Jaar van overgang Beschrijving
Secretariaat van Buitenlandse Zaken 1815
Ministerie van Nationale Nijverheid en Koloniën 1840 Taken van de nijverheid opgegaan / afgesplitst in Buitenlandse Zaken.
Associatieve relaties
Naam Periode Beschrijving
De Nederlandse Overzee Trustmaatschappij 1914-11-24 tot 1919-12-30 Samenwerking
Onderliggend niveau
Naam Periode Beschrijving
Eerste Bureau (BuZa) 1815 tot 1823
Tweede Bureau (BuZa) 1815 tot 1823
Kabinet (BuZa) 1866 tot 1940
Administratie Nationale Nijverheid (BuZa) 1834 tot 1841
Administratie van de Rooms-Katholieke Eredienst (BuZa) 1862 tot 1866
Afdeling Algemeen Secretariaat (BuZa) 1876 tot 1940
1e Afdeling Politieke Zaken (BuZa) 1876 tot 1920
2e Afdeling Consulaire -en Handelszaken (BuZa) 1876 tot 1918
3e Afdeling Comptabiliteit (BuZa) 1876 tot 1940
Directie van Economische Zaken (BuZa) 1918 tot 1933
Afdeling Consulaire -en Handelszaken (BuZa) 1934 tot 1940
Afdeling Diplomatieke Zaken (BuZa) 1920 tot 1940
Afdeling Juridische Zaken (BuZa) 1920 tot 1940
Afdeling Volkenbondzaken (BuZa) 1921 tot 1940
Regeringspersdienst (BuZa) 1934 tot 1937
Directie van het Protocol (BuZa) 1900 tot 1940
Algemeen Secretariaat (BuZa) 1946 tot 1946
Beheer
Identificatiecode van de instelling
Nationaal Archief
Publicatiestatus
Definitief
Niveau van detaillering
Gedeeltelijk
URL (permalink)
https://hdl.handle.net/10648/d8a95f5b-bc5e-4746-a347-ce1a71472160
Bronnen

[1] F.J.M. Otten, Gids voor de archieven van de ministeries en de Hoge Colleges van Staat 1813-1940 (Den Haag 2004) 197.

[2] Ibidem, 206-207.

[3] Ibidem, 197-198.

[4] Ibidem, 198-199.

[5] Ibidem, 199-200.